Antaiji

Klooster van vrede

De nacht in de transgalactische trein
10. De schipbreukelingen


   „Ik ruik appels! Of lijkt dat maar zo, omdat ik zojuist aan appels dacht?”
   Campanella keek verwonderd om zich heen.
   „Nee, ik ruik echt appels. En de geur van wilde rozen!”, ook Giovanni blikte om zich heen maar de geur kwam van buiten. Eigenaardig, hoe kan het nu midden in de herfst naar wilde rozen ruiken?
   Ineens stond daar een jongen, blootsvoets en bevend over zijn hele lichaam, hij leek ongeveer zes jaar oud en had glanzend, zwart haar. De knopen van zijn rode jas waren allemaal open en hij keek zeer geschrokken. Ernaast stond een jonge, lange man netjes gekleed in een zwart pak. Hij hield de hand van de jongen stevig vast als een eik die zich schrap zet in de wind.
   “Waar zijn we dan nu beland? Wat is het hier mooi!”
   Het waren de woorden van een ongeveer twaalf jaar oud, goed uitziend meisje met bruine ogen, gekleed in een donkere mantel. Ze hield zich aan de arm van de jonge man vast en keek verwonderd uit het raam naar het landschap. Vervuld van vreugde zei de jonge man tegen haar:
   „Dit is Lancashire. Nee wacht, het moet Connecticut zijn. Och nee, we zijn allang voorbij de wolken! We zijn op weg naar de hemel. Kijk maar daarachter, dat is het teken van de hemel. Nu hoeven jullie geen angst meer te hebben. De Heilige Vader roept ons tot zich.”
   Echter de diepe rimpels op zijn voorhoofd verraadden zijn vermoeidheid. De lach waarmee hij de kleine jongen op de plek naast Giovanni neerzette, kwam gemaakt over. Het meisje wees hij liefdevol naar de plek naast Campanella, waar ze gehoorzaam plaats nam en ze vouwde haar handen in haar schoot.
   „We gaan nu naar mijn grote zus, is het niet?”, vroeg de jongen met een onbeschrijflijk zeldzame blik in zijn ogen aan de jonge man die inmiddels tegenover de vuurtorenwachter was gaan zitten. Hij wist niets terug te zeggen en keek slechts met een droevige blik naar de verwarde, natte haren van de jongen. Het meisje hield ondertussen haar beide handen voor haar gezicht en begon snikkend te huilen.
   „Jouw vader en je zus Kikuyo hebben nog heel wat werk te doen. Zodra ze daarmee klaar zijn, zullen ze ons volgen. Maar jouw moeder wacht wel al op je. Ze vraagt zich zeker al af welke liederen jullie lieve Tadashi nu zingt. En of hij nog altijd op een sneeuwachtige winterochtend samen met de anderen vreugdevol in een kring om de vlierbes in de tuin danst. Ze kan niet langer wachten om jullie terug te zien, laten we daarom snel naar haar toe gaan!”
   „Ik denk dat we beter niet de boot hadden moeten nemen.”
   „Ik weet het. Maar kijk toch eens: Herken je die wonderbaarlijk mooie rivier daarbuiten? Toen je s’ avonds als je naar bed ging het lied ‚Twinkle, twinkle litttle star’ zong, kon je deze rivier vanuit jouw raam altijd wit aan de hemel zien, herinner je het nog? Is het niet mooi hoezeer deze oplicht?”
   Het meisje dat de hele tijd gehuild had, droogde nu haar tranen met een zakdoek en keek ook naar buiten. De jonge man richtte zich tot beiden: “Er is geen reden meer, nog langer treurig te zijn. Kijk toch eens wat een mooie reis we maken! En weldra komen we in het Rijk van God aan. Het is vervuld van licht en allerlei heerlijke geuren en er zijn alleen maar goede mensen te vinden. De mensen die in plaats van ons in de reddingsboten zaten zullen snel gered worden en terugkeren naar hun ouders die zich zeker grote zorgen maken. Ook wij zullen er weldra zijn, laat ons daarom met frisse moed een lied zingen!”
   De man streek door het natte, zwarte haar van de jongen. Terwijl hij beide troostte, fleurde zich gezicht enigszins op.
   „Waar komen jullie vandaan? Is er iets met jullie gebeurd?”, vroeg de vuurtorenwachter, die het gesprek aandachtig gevolgd had. De jonge man lachte voorzichtig:
   „Nee, ons schip is alleen op een ijsberg gestoten en onder gegaan. De vader van deze twee kinderen moest twee maanden geleden dringend terug naar zijn vaderland en wij waren onderweg naar hem. Ik zelf ben student en aangesteld als huisleraar van de kinderen.
   Ons schip stootte de twaalfde dag van de reis, dus vandaag of gisteren op een ijsberg. In een mum van tijd kapseisde het schip en begon te zinken. Het was behoorlijk mistig en de maan was bijna niet te zien. De reddingsboten die aan de linkerzijde van het schip hingen konden niet meer gebruikt worden, daarom konden niet alle passagiers een plek in de reddingsboten bemachtigen. Het schip zonk dieper en dieper en ik heb uit volle borst geschreeuwd dat ze in ieder geval de kinderen moesten meenemen in de reddingsboten. De mensen om me heen maakte direct plaats vrij voor de kinderen en wensten hen alles goede. Maar tussen ons en de boten waren zoveel kinderen met hun ouders dat ik het niet over mijn hart kreeg om voor te dringen.Natuurlijk was ik me bewust van mijn plicht om er alles voor te doen deze beide kinderen te redden, zelfs als ik daarvoor de kleintjes voor ons opzij moest duwen. Maar toen vroeg ik me af wat het voor zin had het leven van deze beide ten koste van andere kinderen te redden. Wat kan ik nog meer voor het geluk van deze kinderen doen door gezamenlijk met hen naar God te reizen?
   Anderzijds zou ik natuurlijk zelf verantwoordelijk zijn voor mijn eigen zonden tegenover God, dus was ik nog steeds aan het overleggen hoe ik op z’n minst de kinderen nog op een andere manier in de reddingsboot kon krijgen. Maar ik kreeg het gewoon niet voor mekaar. Ik zag ouders die alleen hun kinderen in de boot zetten. Ik zag een moeder die wanhopig zinnen haar kinderen nog handkusjes nagaf. Ik zag een vader vechtend tegen de tranen in de leegte staren. Dat alles brak mijn hart.
   Toen het schip dieper en dieper zonk, nam ik een beslissing: Ik zou ze vast in mijn armen nemen en proberen zo lang mogelijk boven water te blijven. Dus wachtte ik tot het schip geheel gezonken was. Iemand wierp ons nog een reddingsband toe, maar nog voordat ik deze kon grijpen, vloog deze ver over ons heen. Vertwijfeld trok ik een stuk hout van de leuning op het dek af en we hielden ons met z’n drieën eraan vast. Toen begon ergens iemand een kerklied te zingen en ineens zongen allerlei mensen in verschillende talen in koor mee. Ineens was er een luide knal en voor ik het wist, lagen we in het water. Het laatste wat ik nog weet was dat we in een draaikolk terecht kwamen. Ik hield de twee kleinen stevig vast en even werd het me zwart voor ogen. En daarna waren we al hier.
   De moeder van deze twee? Die is al twee jaar geleden gestorven. Ja de reddingsboten zullen inmiddels wel al gevonden zijn. Tenslotte waren ze bemand door ervaren matrozen, die vaardig van het schip weg roeiden.”
   Er was een zachte suis en fluisterende gebeden te horen om hen heen. Ook Giovanni en Campanella dachten met waterige ogen aan lang vergeten herinneringen.
   Ah, een grote oceaan, dat moet de Pacific geweest zijn. Ergens ver in het noorden van de zee, drijft nu misschien een kleine boot tussen de ijsschotsen in een ijzige wind. Ergens vecht nu een mens voor zijn leven. De gedachte alleen al laat me niet los. Wat kan ik nu voor het geluk van deze mensen doen?
   Met gebogen hoofd verzonk Giovanni in gedachten. De vuurtorenwachter probeerde hem te troosten: “Wie weet nu wat geluk is? Al is het maar een stap op de juiste weg, dan is elke nog zo treurige gebeurtenis, ieder stijgen en dalen op deze bergachtige weg, een stap in de richting van geluk.”
   „Dat is juist. Het ongeluk is niets meer dan een beschilling op de weg naar het hoogste geluk.”, zei nu ook de jonge man op een aandachtige toon.

11. De pauwenmuziek


Switch to Japanese Switch to Dutch Switch to Spanish Switch to French Switch to English Switch to Italian Switch to Polish Switch to Russian